Zijn er vandaag apostelen?

Dit is een vitale vraag, omdat in onze tijd soms buitengewone claims worden gemaakt en buitengewone praktijken worden ondernomen op grond van het feit dat een hedendaags ambt verondersteld wordt ‘apostolisch’ te zijn.

Om de vraag te beantwoorden, moeten we eerst zorgvuldig kijken naar het onderwijs van de Schrift, om te zien wat de bijbelse kwalificaties van nieuwtestamentische apostelen werkelijk waren.

Autoriteit

Vooreerst werd apostelschap soms gekoppeld aan het feitelijk schrijven van de boeken van het Nieuwe Testament. Petrus zegt ook aan het begin van zijn beide brieven dat hij een apostel van Jezus Christus was.

Hoewel Johannes het woord ‘apostel’ niet gebruikte, maakte hij aan het begin overduidelijk dat hij en de andere apostelen de Heer hadden gezien, gehoord en aangeraakt:

‘Hetgeen van den beginne geweest is, hetwelk wij gehoord hebben, hetwelk wij met onze ogen gezien, hetwelk wij aanschouwd en met onze handen aangeraakt hebben, aangaande het Woord des levens – want het leven is geopenbaard geworden, en wij hebben het gezien, en getuigen, en verkondigen u het eeuwige leven, hetwelk bij den Vader was en aan ons geopenbaard is – hetgeen wij gezien en gehoord hebben, verkondigen wij u, opdat gij ook gemeenschap met ons moogt hebben; en waarlijk, onze gemeenschap is met de Vader en met zijn Zoon Jezus Christus” (1 Joh. 1:1-3; vgl. Interessant is dat Jakobus en Judas geen aanspraak maken op het apostelschap, hoewel zij halfbroers van de Heer waren (Mattheüs 13:55; Judas 1:1).

Paulus introduceert bijna al zijn brieven als ‘een apostel’, hoewel hij soms zegt ‘geroepen om apostel te zijn’. Hij onderstreept zijn apostelschap ook met zinnen als: ‘door de wil van God’ (1 Korintiërs 1:1); ‘niet van mensen, noch door mensen, maar door Jezus Christus en God de Vader, die Hem uit de doden heeft opgewekt’ (Galaten 1:1); en ‘door het gebod van God’ (1 Timoteüs 1:1).

Credentials

Een essentiële apostolische geloofsbrief was dat men de opgestane Heer lijfelijk had gezien. Paulus maakt hier expliciet melding van in 1 Korintiërs 9:1-2: ‘Ben ik geen apostel? Ben ik niet vrij? Heb ik Jezus Christus, onze Heer, niet gezien? Indien ik voor anderen geen apostel ben, dan ben ik het ongetwijfeld voor u. Want u bent het zegel van mijn apostelschap in de Heer’.

Sommigen zouden kunnen aanvoeren dat deze tekst alleen (hoewel het zeker bewijst dat Paulus zelf een apostel was die de verrezen Heer had gezien) niet genoeg is om het zien van de verrezen Christus te verbinden met apostel zijn – dat het de verbinding forceert.

Maar het bewijs is cumulatief. We kunnen bijvoorbeeld aan het argument toevoegen dat, na het verraad van onze Heer door Judas, de apostelen erop stonden dat de namen die naar voren werden geschoven als Judas’ mogelijke vervanger “om deel te nemen aan dit ambt en apostelschap”, ooggetuigen moesten zijn geweest van de verrijzenis van Christus (Handelingen 1:21-25).

De openingswoorden van het grote opstandingshoofdstuk van 1 Korintiërs 15 zijn in dit opzicht ook zeer suggestief: ‘Want ik heb u allereerst overgeleverd … die gezien is door Cefas en daarna door de twaalf …

‘Daarna is hij gezien door Jacobus, daarna door alle apostelen. En als laatste van allen is Hij ook door mij gezien, als door iemand die buiten de tijd geboren is. Want ik ben de minste der apostelen, die niet waardig ben apostel genoemd te worden, omdat ik de gemeente Gods vervolgd heb’ (vv. 3-9).

Tekenen

Paulus helpt ons ook een apostel te herkennen door de tekenen van een apostel specifiek te definiëren als het veelvuldig en krachtig uitoefenen van wonderbaarlijke gaven. Waarlijk, de tekenen van een apostel zijn onder u met alle volharding volbracht, in tekenen en wonderen en machtige daden’ (2 Korintiërs 12:12).

Toen in Korinthe – een gemeente gesticht door de apostelen – tekengaven werden uitgeoefend, kregen vele gelovigen daar specifieke gaven, verdeeld zoals de Geest het wilde, maar zij waren zeker niet allen in staat om alle gaven uit te oefenen; de gaven werden aan verschillende afzonderlijk verdeeld, hetgeen de basis is van Paulus’ betoog in 1 Korinthe 12: ‘want aan de een wordt door de Geest het woord van wijsheid gegeven, aan de ander door dezelfde Geest het woord van kennis, aan de ander door dezelfde Geest het geloof…’ (verzen. 8-9). Zij konden bijvoorbeeld niet allen in tongen spreken.

Dat zij überhaupt in staat waren geestelijke gaven uit te oefenen, toont aan dat Korinthe inderdaad een kerk was die rechtstreeks door de apostelen was gesticht. Maar dat geen van de gewone gemeenteleden individueel in staat was om een groot aantal van de gaven te manifesteren, toont aan dat zij geen apostelen waren.

Commissie

Ten slotte moeten we opmerken dat de term ‘apostel’ verwijst naar een ‘afgevaardigde of ambassadeur van het evangelie, een boodschapper die gezonden is’ (James Strong, Strong’s exhaustive concordance of the Bible; World Bible Publishers; Iowa, 1986; p.16

Christenen worden tegenwoordig uitgezonden door de Heilige Geest en door de gemeente, maar de apostelen in het Nieuwe Testament, waaronder Paulus, ontvingen hun opdracht rechtstreeks van de opgestane Christus (Mattheüs 28:18-20; Handelingen 22:21). Jezus zei hun te gaan naar alle delen van de wereld en het evangelie te verkondigen aan alle volken (Handelingen 1:8).

In het licht van het bewijs van het Nieuwe Testament is het daarom een vergissing – en mogelijk een zeer ernstige vergissing – om welke prediker of dienaar van de Heer dan ook vandaag de dag een apostel te noemen, hoe eminent of nuttig die persoon ook mag zijn in de dienst van God.

De auteur is lid van de FIEC Pastors’ Association en onderzoeker voor de Reachout Trust.

Tags:

Bijbels/theologisch